Kleine verhaaltjes vertellen

Published by Annette Benedictus on

Na het ontdekken van het plezier in het spelen met woorden en taal, en het maken van vergissingen daarbij, zullen kinderen zich vrij voelen om aan enkele wat meer verhalende opdrachten te beginnen. Dit is het derde artikel in een serie die begon bij het artikel “Vertellen op school”

Beschrijven

Geef de kinderen een zin die geen beschrijvingen bevat, bijvoorbeeld ‘De man komt uit zijn huis’. De kinderen vullen deze zin aan met bijvoeglijk naamwoorden, op zo’n manier dat zin steeds verandert, bijvoorbeeld: De oude man komt uit zijn enorme huis, of: De aardige man komt uit zijn felgekleurde huis. De kinderen kunnen deze zin op meerdere manieren uitspreken en ze kunnen deze manieren ook uitbeelden.

Het gaat er niet om dat de zin perfect wordt, maar dat kinderen leren spelen met woorden. Wanneer de kinderen bijvoeglijk naamwoorden toevoegen aan de zin “Het meisje liep door het bos.” kunnen achtereenvolgens ontstaan: “Het meisje liep door het donkere bos, het meisje liep door het donkere dreigende bos, het meisje liep door het donkere dreigende fluisterende bos” en dat kan nog wel even doorgaan…

Visualiseren

Vertel de kinderen over het moment waarop je nog net niet slaapt, en al bijna in een droomwereld verkeert. Vraag de kinderen hun ogen te sluiten, of, als ze dat spannend vinden, naar hun buik te kijken. Dan vertel je een kort verhaal, dat meer een sfeertekening is omdat het geen plot bevat. Geef de kinderen de tijd om zich beelden te vormen door rustig te vertellen.

“Je staat voor een deur, maar doet die pas open als je er eens goed naar gekeken hebt. Kijk maar goed. Welke kleur heeft de deur, en waar is de deur van gemaakt? Dan doe je de deur open en loop je naar binnen. Je komt in een kamer, en voordat je de kamer verder binnen loopt kijk je goed rond in de kamer: wat bevindt zich allemaal in de kamer, is het er donker of licht? Zijn er ramen, lampen, meubels? Dan vertel je dat er in die kamer een kist is, waar de kinderen in hun gedachten naar toe mogen lopen. Als de kinderen dichter bij de kist komen bekijken ze de kist goed. Misschien strijk je er zelfs met je vinger even langs, en voel je waar de kist van gemaakt is Voelt de kist koud, of warm? Dan doe je de kist open en kijkt er in. Na een poosje sluit je de kist weer, werp je een laatste blik in de kamer, loopt naar de deur en sluit deze.”

Als de kinderen hun ogen weer open doen vraag je aan de kinderen of ze willen vertellen wat ze zagen. Je zult merken dat ieder kind zich andere beelden vormde, terwijl ze naar exact hetzelfde verhaal luisterden.

Kletsen en klemtonen leggen

Kinderen kunnen in tweetallen oefenen met vertellen door dicht naast elkaar te zitten en op elkaars handpalmen te tekenen terwijl ze verhalen uitwisselen. In deze opdracht zitten kinderen automatisch dicht tegen elkaar aan, en ontstaat er een sfeer waarin weliswaar veel kinderen allemaal tegelijkertijd aan het woord zijn, maar ze niet geneigd zijn hard te praten. Na een poosje wisselen luisteraar en verteller van rol. Allerlei onderwerpen kunnen zo besproken worden: vakantie, kriebelbeestjes. Kinderen kunnen zo ook verhalen verzinnen.

Weer in de kring kunt U de kinderen vragen eenzelfde zin steeds op een andere manier uit te spreken, zodat de zin telkens een andere betekenis krijgt. Zinnen die U kunt gebruiken zijn: “Is dit allemaal voor mij?”, “Hij draaide zich om.” of “Wat een verrassing.”